Regeling modelraketten (Verenigingen concept) 05-04-2001
Art.1 Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:- startmassa: de massa van een modelraket op het moment van lanceren (in kilogrammen).
- startmassa: de massa van een modelraket op het moment van lanceren (in kilogrammen).
- klein-modelraket: een raket waarvan de startmassa niet meer dan 1,5kg bedraagt.
- groot-modelraket: een raket waarvan de startmassa niet meer dan 35kg bedraagt.
- lanceerinrichting: een systeem bedoeld om een modelraket stabiel en in de juiste richting te lanceren.
- modelraketvlieggebied: een kolom luchtruim in de vorm van een cilinder met een nader te bepalen hoogte en een straal van twee maal de hoogte rond een geografische positie, waarbinnen modelraketten mogen vliegen.
Art.2 Gebruik
- Bij het gebruik van een modelraket dienen de in deze regeling gestelde voorwaarden in acht te worden genomen.
- Een modelraket mag slechts worden gebruikt binnen het modelraketvlieggebied en gedurende de daglichtperiode zoals gepubliceerd in de luchtvaartgids Nederland en wel op zodanige wijze dat geen hinder of gevaar kan ontstaan voor mensen, dieren of zaken op de grond, of voor het luchtverkeer.
Art.3 Ontwerp en constructie
- Het ontwerp en de constructie van een modelraket dienen zodanig te zijn dat, middels vast verbonden aerodynamische vlakken stabiliteit en herstellende krachten worden ontwikkeld welke zorgdragen voor een voorspelbare en stabiele vlucht.
- Het ontwerp en de constructie van een modelraket dienen zodanig te zijn dat de kans op een ongeval als gevolg van breken, defect of onbedoeld losraken van enig onderdeel tijdens de vlucht kan worden uitgesloten.
- Het ontwerp en de constructie van een modelraket en de lanceerinrichting dienen zodanig te zijn dat de modelraket te allen tijde de lanceerinrichting vertikaal en stabiel verlaat. De lanceerrichting mag gerekend vanuit het horizontale vlak niet minder dan 70° zijn.
- Het ontwerp en de constructie van een modelraket dienen zodanig te zijn dat de hoogte van het modelraketvlieggebied niet kan worden overschreden.
- De modelraket dient uitgerust te zijn met een bergingssysteem welke de modelraket of delen daarvan doet afdalen met een zodanige snelheid dat het landingspunt zich bevindt in het modelraketvlieggebied en er geen gevaar kan ontstaan voor mensen, dieren of zaken op de grond of op het water.
- De modelraket moet voorzien zijn van de naam en het adres van de eigenaar.
Art.4 Modelraket
- Met een modelraket mag niet worden gevlogen:
- Binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied, tenzij toestemming van de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst is verkregen.
- Binnen een een afstand van 5 kilometer van de grens van een luchtvaartterrein waar geen plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst is gevestigd, tenzij de havenmeester daartegen geen bezwaar heeft.
- Binnen een afstand van 3 kilometer van de grens van een terrein, waarvoor krachtens artikel 14, tweede lid, van de Luchtvaartwet ontheffing is verleend van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verbodsbepalingen, tenzij degene aan wie ontheffing is verleend daartegen geen bezwaar heeft.
- Binnen burgerlaagvlieggebieden en van maandag 08.00 uur tot vrijdag 17.00 uur plaatselijke tijd binnen de militaire laagvlieggebieden alsmede binnen een afstand van 3,7 kilometer (2NM) van militaire laag-vliegroutes, zoals deze zijn gepubliceerd in de luchtvaartgids Nederland.
- Het modelraketvlieggebied wordt ingedeeld in 2 categorieen.
- Categorie 1; de maximale hoogte welke een modelraket onder de visual meteorological conditions mag behalen is 1500 voet AMSL (450 meter boven zeeniveau).
- Categorie 2; de maximale hoogte welke een modelraket onder de visual meteorological conditions mag behalen boven de voor categorie 1 toegestane maximale hoogte wordt vastgelegd in een BVG (Bijzonder Verkeers Gebied) welke conform art.... dient te worden aangevraagd bij het NLA.
- In een categorie 1 modelraketvlieggebied mogen alleen klein-modelraketten worden gelanceerd.
- Modelraketten mogen slechts dan worden gebezigd wanneer de wettelijk noodzakelijke toestemmingen en ontheffingen/vergunningen zijn verleend door de daartoe bevoegde instanties.
- Bij luchtvaartvertoningen gelden de extra bepalingen genoemd in de Art. 17 procedure.
Art.5 Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 ................... 2001
Art.6 Titel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling modelraketten.
De minister van Verkeer en Waterstaat,





