Regeling modelraketten (NAVRO concept) 22-02-2001

Art.1 Begripsbepalingen

  1. totale impuls: de gemiddelde stuwkracht (in Newton) vermenigvuldigd met de werkingsduur (in seconden) van een raketmotor.
  2. startmassa: de massa van een modelraket op het moment van lanceren (in kilogrammen).
  3. ballistische impuls: het kwadraat van de totale impuls van de raketmotor(en) gedeeld door twee maal de startmassa van de modelraket.
  4. klein-modelraket: een raket waarvan de startmassa niet meer dan 1,5kg bedraagt en de ballistische impuls niet meer bedraagt dan 50 kilojoules.
  5. groot-modelraket: een raket waarvan de startmassa niet meer dan 20kg bedraagt en de ballistische impuls niet meer bedraagt dan 350 kilojoules.
  6. lanceerinrichting: een inrichting bedoeld om een modelraket stabiel en in de juiste richting en onder de juiste elevatie te lanceren.
  7. modelraketvlieggebied: een kolom luchtruimte in de vorm van een cilinder met een nader te bepalen hoogte en een straal van de anderhalve hoogte rond een geografische positie, waarbinnen modelraketten mogen vliegen.

Art.2 Gebruik

  1. Bij het gebruik van een modelraket dienen de in deze regeling gestelde voorwaarden in acht genomen worden.
  2. Een modelraket mag slechts worden gebruikt binnen het modelraketvlieggebied en gedurende de daglichtperiode zoals gepubliceerd in de luchtvaartgids Nederland en wel op zodanige wijze dat geen hinder of gevaar kan ontstaan voor mensen, dieren of zaken op de grond, of voor het luchtverkeer.

Art.3 Ontwerp en constructie

  1. Het ontwerp en de constructie van een modelraket dienen zodanig te zijn dat, middels vast verbonden vlakken welke aërodynamische stabiliteit en herstellende krachten veroorzaken, een voorspelbare en stabiele baan met een zo groot mogelijke zekerheid kan worden gegarandeerd.
  2. Het ontwerp en de constructie van een modelraket dienen zodanig te zijn dat de kans op een ongeval als gevolg van breken, defect of losraken van enig onderdeel tijdens de vlucht kan worden uitgesloten.
  3. Het ontwerp en de constructie van een modelraket en de lanceerinrichting dienen zodanig te zijn dat de modelraket te allen tijde de lanceerinrichting vertikaal en stabiel verlaat. De lanceerhoek van de lanceerinrichting mag gerekend vanuit het horizontale vlak niet meer dan 90° en niet minder dan 70° zijn.
  4. De modelraket dient uitgerust te zijn een systeem welke de modelraket of delen daarvan doet afdalen met een zodanige snelheid en daaltijd dat het landingspunt zich bevindt in het modelraketvlieggebied, en dat er geen gevaar kan ontstaan voor mensen, dieren of zaken op de grond.
  5. De modelraket moet voorzien zijn van de naam en het adres van de eigenaar.

Art.4 Modelraket

  1. Met een modelraket mag niet worden gevlogen:
    1. binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied, tenzij toestemming van de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst is verkregen.
    2. binnen een afstand van 5 kilometer van de grens van een luchtvaartterrein waar geen plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst is gevestigd, tenzij de havenmeester daartegen geen bezwaar heeft.
    3. binnen een afstand van 3 kilometer van de grens van een terrein, waarvoor krachtens artikel 14, tweede lid, van de Luchtvaartwet ontheffing is verleend van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verbodsbepalingen, tenzij degene aan wie ontheffing is verleend daartegen geen bezwaar heeft.
    4. binnen burgerlaagvlieggebieden en van maandag 08.00 uur tot vrijdag 17.00 uur plaatselijke tijd binnen de militaire laagvlieggebieden alsmede binnen een afstand van 3,7 kilometer (2NM) van militaire laag-vliegroutes, zoals deze zijn gepubliceerd in de luchtvaartgids Nederland.
  2. Het modelraketvlieggebied wordt ingedeeld in 2 categorieen.
    1. Categorie 1; de maximale hoogte welke een modelraket onder de visual meteorological conditions mag behalen is 500 meter (1500 voet) boven de grond of het water.
    2. Categorie 2; de maximale hoogte welke een modelraket onder de visual meteorological conditions mag behalen is 2000 meter (6000 voet) boven de grond of het water. Voor dit modelraketvlieggebied moet een BVG (Bijzonder Verkeers Gebied) worden ingesteld welke conform art.- dient te worden aangevraagd bij het NLA en via een NOTAM wordt bekend gemaakt.
    3. In het modelraketvlieggebied van categorie 1 mag uitsluitend gevlogen worden met een klein-modelraket.
    4. In het modelraketvlieggebied van categorie 2 mag zowel gevlogen worden met een klein-modelraket als met een groot-modelraket.
    5. In bijlage .. van deze regeling is weergegeven waar modelraketvlieggebieden zijn toegestaan.
  3. Modelraketten mogen slechts dan worden gebezigd wanneer de wettelijk noodzakelijke toestemmingen en ontheffingen/vergunningen zijn verleend door daartoe bevoegde instanties.
  4. Een modelraket dient tijdens de vlucht te allen tijde gevolgd kunnen worden.
  5. Voor lanceringen waar publiek bij aanwezig is gelden de extra bepalingen genoemd in de Art. 17 procedure.

Art.5 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 ................... 2001

Art.6 Titel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling modelraketten.


De minister van Verkeer en Waterstaat,

Previous